Atmosferische processen
1. De opbouw van de atmosfeer
Wat is de atmosfeer?
De atmosfeer is een zeer dunne band van gassen die rondom de aarde ligt. Ze wordt ook wel de dampkring genoemd. Dankzij de zwaartekracht van de aarde kunnen die gassen niet ontsnappen naar de ruimte. Hoe groter de afstand tot het aardoppervlak, hoe kleiner de invloed van de zwaartekracht, en dus hoe ijler (minder dicht) de atmosfeer wordt. Met andere woorden: de dichtheid van de gassen neemt af met de hoogte.
Voorbeeld: Op de top van de Mount Everest (~8.800 m) is er al veel minder zuurstof beschikbaar dan op zeeniveau — daarom hebben bergbeklimmers zuurstofmaskers nodig.
Samenstelling van de atmosfeer (droge lucht)
| Gas | Percentage |
|---|---|
| Stikstof (N₂) | 78 % |
| Zuurstof (O₂) | 21 % |
| Argon (Ar) | ~1 % |
| Koolstofdioxide (CO₂) | 0,04 % |
| Andere gassen | 0,02 % |
De samenstelling is relatief stabiel, maar de hoeveelheid waterdamp wisselt sterk afhankelijk van temperatuur en locatie.
De lagen van de atmosfeer
De atmosfeer is opgedeeld in lagen op basis van het temperatuursverloop. Elke laag heet een sfeer (temperatuur stijgt of daalt er consistent). De overgangszone tussen twee sferen heet een pauze.
Troposfeer (0 – ~10 km) ⭐
Dit is de laagste en belangrijkste laag voor het dagelijks leven. De temperatuur daalt hier met de hoogte, van gemiddeld +15°C aan het oppervlak tot ongeveer −55°C aan de tropopauze. De luchtdruk daalt van 1013 hPa naar ca. 300 hPa. Bijna al het weer (wolken, regen, wind, storm) speelt zich af in de troposfeer. Ook de broeikasgassen bevinden zich hier.
Voorbeeld: Vliegtuigen vliegen net aan de bovenkant van de troposfeer (~10 km hoogte), waar de lucht stabieler is en er weinig turbulentie is.
Tropopauze (~10 km)
De overgangszone tussen de troposfeer en de stratosfeer. De temperatuur stabiliseert hier tijdelijk.
Stratosfeer (10 – 50 km)
In de stratosfeer stijgt de temperatuur met de hoogte, van −55°C onderaan tot 0°C bovenaan. Dit is omgekeerd aan de troposfeer. De reden is de aanwezigheid van de ozonlaag (op 20–30 km hoogte), die UV-straling absorbeert en daardoor warmte produceert. De luchtdruk daalt van 300 hPa naar 0,9 hPa.
Voorbeeld: Weerballonnen worden opgelaten tot in de stratosfeer om metingen te doen van druk, temperatuur en vochtigheid.
Stratopauze (~50 km)
Grens tussen stratosfeer en mesosfeer. Het warmste punt van de stratosfeer.
Mesosfeer (50 – 85 km)
Hier daalt de temperatuur opnieuw met de hoogte, van 0°C naar −85°C. Dit is de koudste laag van de atmosfeer. De luchtdruk is hier uiterst laag (0,9 → 0,008 hPa). De meeste meteoren verbranden in deze laag door wrijving met de luchtmoleculen — wat wij zien als vallende sterren.
Voorbeeld: Een meteoriet die de aarde nadert, begint in de mesosfeer te gloeien. Als hij groot genoeg is, bereikt hij het aardoppervlak; anders verbrandt hij volledig.
Mesopauze (~85 km)
Koudste punt van de atmosfeer, grens tussen mesosfeer en thermosfeer.
Thermosfeer (85 – 500 km)
In de thermosfeer stijgt de temperatuur enorm, van −85°C tot honderden graden Celsius. Dit lijkt tegenstrijdig, maar de lucht is zo ijl dat er nauwelijks moleculen zijn om warmte over te dragen — een thermometer zou het er dus niet warm aanvoelen. Het Noorderlicht (aurora borealis) ontstaat hier, doordat geladen deeltjes van de zon reageren met gasmoleculen. Ook het ISS (Internationaal Ruimtestation) bevindt zich in de thermosfeer.
Voorbeeld: Het ISS cirkelt op ca. 400 km hoogte — midden in de thermosfeer.
Thermopauze (~500 km)
Grens tussen thermosfeer en exosfeer.
Exosfeer (> 500 km)
De buitenste laag van de atmosfeer. De lucht is hier zo ijl dat ze geleidelijk overgaat in de lege ruimte. Er is geen duidelijke grens. Satellieten in een hoge baan bevinden zich hier.
2. Ozon: bescherming of bedreiging?
2.1 Hoe wordt ozon gevormd?
Ozon (O₃) is een molecule bestaande uit drie zuurstofatomen. Het wordt gevormd en afgebroken door UV-straling via het volgende proces:
- UV-straling splitst een O₂-molecule in twee vrije zuurstofatomen: O₂ → O + O
- Een vrij O-atoom botst met een O₂-molecule en vormt ozon: O + O₂ → O₃
- UV-straling breekt ozon ook weer af: O₃ → O + O₂
Er is dus een constant evenwicht tussen vorming en afbraak van ozon. Dit evenwicht absorbeert een groot deel van de UV-straling.
Voorbeeld: Vergelijk het met een filter in een zwembad: het filter verwijdert voortdurend vuil, maar er komt ook voortdurend vuil bij — het systeem houdt zichzelf in balans.
2.2 Ozon in de stratosfeer → Bescherming ✅
De ozonlaag bevindt zich op een hoogte van 20 tot 30 km in de stratosfeer. Ze absorbeert het grootste deel van de schadelijke UV-B en UV-C straling van de zon. Zonder de ozonlaag zou deze straling het aardoppervlak bereiken en ernstige schade veroorzaken aan DNA, huid, ogen en ecosystemen.
Het ozongatprobleem:
Vanaf de jaren 1970 werd vastgesteld dat de ozonlaag dunner werd, vooral boven de zuidpool. Dit "gat" is niet letterlijk een gat, maar een zone waar de ozonconcentratie sterk verlaagd is.
Oorzaak: CFK's (chloorfluorkoolstofverbindingen)
- Vroeger veel gebruikt in spuitbussen, koelkasten en airconditioning
- CFK-moleculen stijgen op naar de stratosfeer, waar UV ze afbreekt en vrije chlooratomen vrijkomen
- Die chlooratomen breken ozon af in een kettingreactie: één chlooratoom kan duizenden ozonmoleculen vernietigen
Oplossing: Het Protocol van Montreal (1987) verbood het gebruik van CFK's wereldwijd. Ze worden nu vervangen door HFK's (hydrofluorkoolstoffen), die de ozonlaag niet aantasten. Sindsdien herstelt de ozonlaag zich langzaam.
Voorbeeld: In 1984 mat men boven Antarctica een ozonconcentratie die 40% lager lag dan normaal. Dankzij het Protocol van Montreal is dit sindsdien verbeterd.
2.3 Ozon in de troposfeer → Bedreiging ❌
Ozon in de onderste atmosfeer (troposfeer) is schadelijk voor de gezondheid van mensen, dieren en planten. Onze longen en luchtwegen kunnen ozon niet verdragen.
Zomersmog:
- Ontstaat op warme, zonnige dagen
- Fel zonlicht valt op stikstofoxiden (NOₓ) en vluchtige organische stoffen (VOS) — samen ozonvoorlopers genoemd
- Deze stoffen worden uitgestoten door autoverkeer en industrie
- Hierdoor wordt ozon gevormd dicht bij het oppervlak
- Gevolg: luchtwegproblemen, irritatie van ogen en keel
Wintersmog:
- Bevat geen ozon (te weinig zonlicht voor de vorming)
- Bestaat uit fijn stof, roet en zwaveloxiden die niet kunnen ontsnappen door een dik wolkendek
- Gevolg: gevaarlijk voor mensen met hart- en longaandoeningen
Voorbeeld: In België worden bij hoge ozonconcentraties in de zomer snelheidsbeperkingen ingesteld op autosnelwegen (bv. 90 km/u i.p.v. 120 km/u) om de uitstoot te beperken.
3. Warmtecirculatie op aarde
3.1 Het ontstaan van drukverschillen
Luchtdruk is het gewicht van de luchtkolom boven een bepaald oppervlak. Op zeeniveau bedraagt de gemiddelde luchtdruk 1013 hPa (hectopascal). Luchtdruk wordt gemeten met een barometer.
Drukverschillen ontstaan door temperatuurverschillen:
- Warme lucht is lichter (moleculen bewegen sneller en staan verder uit elkaar) → stijgt op → er blijft minder lucht boven het oppervlak → lage druk (L)
- Koude lucht is zwaarder → daalt → er stapelt zich meer lucht op → hoge druk (H)
| Drukgebied | Luchtbeweging | Weer |
|---|---|---|
| Hoog (H) | Lucht daalt → warmt op → geen condensatie | Zonnig, droog |
| Laag (L) | Lucht stijgt → koelt af → condensatie | Bewolkt, regen |
Wind = de horizontale verplaatsing van lucht van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied.
Voorbeeld: Een heteluchtballon stijgt omdat warme lucht lichter is dan de omgevingslucht — hetzelfde principe als bij een laagdrukgebied.
3.2 De luchtdrukcirculatie op aarde
Zonder aardrotatie zou er een eenvoudige circulatie zijn: warme lucht stijgt op aan de evenaar (laagdruk), koelt af aan de polen (hogedruk), en stroomt terug langs het oppervlak. België zou dan altijd noorderwinden hebben.
Met aardrotatie buigen de winden af door het Coriolis-effect:
- Op het noordelijk halfrond buigen winden af naar rechts
- Op het zuidelijk halfrond buigen winden af naar links
Gevolg voor windrichting rond drukgebieden:
- Rond een hoog (H): wind draait met de klok mee (NH)
- Rond een laag (L): wind draait tegen de klok in (NH)
Isobaren = lijnen op een weerkaart die plaatsen met dezelfde luchtdruk verbinden:
- Isobaren dicht bij elkaar → groot drukverschil over korte afstand → veel wind
- Isobaren ver van elkaar → klein drukverschil → weinig wind
3.3 Windgordels op aarde
Door de combinatie van opwarming en aardrotatie ontstaan vaste windgordels:
| Breedtegraad | Druk | Windtype |
|---|---|---|
| 0° (evenaar) | Laag (L) — ITCZ | Passaatwinden (NO en ZO) |
| 30° NB/ZB | Hoog (H) | Grens passaat/westenwinden |
| 30°–60° | Wisselend | Westenwinden (ZW-winden in NH) |
| 60° NB/ZB | Laag (L) | Polaire fronten |
| 90° (polen) | Hoog (H) | Poolwinden |
België ligt op ~51°N en heeft daardoor overwegend zuidwestenwinden.
3.4 Van theoretisch model naar realiteit
In werkelijkheid zijn de drukgordels geen continue banden maar bestaan ze uit drukkernen (afzonderlijke hoge- en lagedrukgebieden). Dit komt door de ongelijke verdeling van land en zee:
- Land warmt sneller op dan water → sneller een lagedrukgebied boven land in de zomer
- Water warmt trager op → stabieler hogedrukgebied boven oceanen
ITCZ (Intertropische Convergentiezone):
De zone aan de evenaar waar de passaatwinden van het noordelijk en zuidelijk halfrond samenkomen. Hier stijgt lucht op en ontstaat een brede wolkenzone zichtbaar op satellietbeelden. De ITCZ verplaatst zich doorheen het jaar mee met de loodrechte zonnestand:
- In juni: richting de kreeftskeerkring (23,5°N)
- In december: richting de steenbokskeerkring (23,5°Z)
Dit veroorzaakt het regenseizoen in tropische gebieden.
Voorbeeld: In de Sahel (regio ten zuiden van de Sahara) is er maar één regenseizoen per jaar, bepaald door de verschuiving van de ITCZ.
Straalstroom (jet stream):
Een zeer snelle, horizontale luchtstroom op circa 10 km hoogte in de bovenste troposfeer. Komt voor bij 30° en 60° NB/ZB, aan de grens van de circulatiecellen. De straalstroom beïnvloedt het traject van depressies en fronten in West-Europa sterk.
Voorbeeld: Vliegtuigen van New York naar Londen vliegen sneller dan omgekeerd, omdat ze gebruik maken van de straalstroom die van west naar oost waait.
3.5 Zeestromingen
De Golfstroom is de belangrijkste zeestroming voor West-Europa. Water warmt op in de Golf van Mexico, stroomt via de Atlantische Oceaan naar Europa en brengt daar warm water en warme lucht mee. Hierdoor is West-Europa 5 à 10°C warmer dan andere gebieden op dezelfde breedtegraad (bv. Canada).
Thermohaliene circulatie = het wereldwijde systeem van alle zeestromingen. De naam bestaat uit twee delen:
- Thermo (temperatuur): warm water aan de evenaar stijgt, koud water aan de polen daalt
- Halien (zout): bij de evenaar verdampt water → lage zoutconcentratie → lagere dichtheid → stijgt. Bij de poolcirkels vriest water → hogere zoutconcentratie → hogere dichtheid → daalt/zinkt
Voorbeeld: Als de Golfstroom zou stoppen door smelting van poolijs (dat het zoutgehalte verlaagt), zou West-Europa aanzienlijk kouder worden.
3.6 Luchtsoorten
Luchtsoorten worden ingedeeld op basis van twee kenmerken:
- Herkomst: Arctisch / Polair / Tropisch
- Aard: Maritiem (van boven zee, vochtig) / Continentaal (van boven land, droog)
| Luchtsoort | Kenmerken |
|---|---|
| Maritiem tropisch | Warm en vochtig |
| Continentaal tropisch | Warm en droog |
| Maritiem polair | Koel en vochtig |
| Continentaal polair | Koud en droog |
| Maritiem arctisch | Zeer koud en vochtig |
| Continentaal arctisch | Zeer koud en droog |
Polaire lucht is warm als het continentale lucht is in de zomer, en koud als het continentale lucht is in de winter.
4. Warmtecirculatie leidt tot neerslag
4.1 De waterkringloop
De waterkringloop beschrijft hoe water voortdurend van vorm verandert en zich verplaatst tussen het aardoppervlak en de atmosfeer.
Begrippen:
- Evaporatie: Het proces waarbij vloeibaar water van het aardoppervlak (oceanen, meren, rivieren) verandert in waterdamp. Dit gebeurt door opwarming door de zon.
- Transpiratie: Het verdampen van water via de bladeren van planten naar de atmosfeer. Planten pompen water op uit de bodem en geven het af via kleine openingen (huidmondjes).
- Evapotranspiratie: De som van evaporatie + transpiratie. Dit is de totale verdamping van een landgebied.
- Condensatie: Waterdamp in de lucht koelt af en verandert terug in vloeibare waterdruppels. Dit is hoe wolken en mist ontstaan.
- Infiltratie: Regenwater of oppervlaktewater dringt in de bodem en wordt opgenomen als grondwater.
Voorbeeld: Na een regenbui verdampt het water van het wegdek snel als de zon schijnt — dit is evaporatie. Tegelijk geven de bomen langs de weg ook vocht af via transpiratie.
4.2 Luchtvochtigheid
Verzadiging = de maximale hoeveelheid waterdamp die lucht kan bevatten bij een bepaalde temperatuur. Dit wordt uitgedrukt als V_max in g/m³.
Belangrijke regel: warme lucht kan meer waterdamp bevatten dan koude lucht. Bij 30°C kan lucht ca. 30 g/m³ waterdamp bevatten; bij 0°C slechts ca. 5 g/m³.
Formule relatieve luchtvochtigheid:
- V_abs (absolute luchtvochtigheid): de werkelijke hoeveelheid waterdamp in de lucht, in g/m³
- V_max (maximale vochtigheid): de maximaal mogelijke hoeveelheid bij die temperatuur, in g/m³
- V_rel (relatieve luchtvochtigheid): uitgedrukt in %
Als V_rel = 100%: de lucht is verzadigd → condensatie treedt op → wolken of neerslag.
Als V_rel < 100%: de lucht is onverzadigd → verdamping treedt op.
Rekenvoorbeeld: V_abs = 15 g/m³, V_max = 20 g/m³ → V_rel = (15/20) × 100 = 75 %
Wolken en neerslag:
- Stijgende lucht koelt af → V_max daalt → lucht raakt verzadigd → condensatie → wolkenvorming → neerslag
- Dalende lucht warmt op → V_max stijgt → lucht wordt onverzadigd → wolken verdwijnen
4.3 Neerslagverdeling op aarde
De hoeveelheid neerslag die een gebied ontvangt, hangt af van vier factoren:
Factor 1: Breedteligging
De ligging ten opzichte van de drukgordels bepaalt of lucht stijgt of daalt:
- Bij de evenaar (0°) en 60° NB/ZB: lucht stijgt → koelt af → neerslag → vochtige gebieden
- Bij 30° en 90° NB/ZB: lucht daalt → warmt op → geen neerslag → droge gebieden (woestijnen bij 30°, poolgebieden bij 90°)
Voorbeeld: De Sahara ligt op ca. 25–30°N — precies in een hogedrukzone waar lucht daalt en het zelden regent.
Factor 2: Afstand tot de zee
Het grootste deel van de waterdamp in de atmosfeer komt van verdamping boven zeeën en oceanen. Hoe verder een gebied van de zee ligt, hoe minder waterdamp de wind aanvoert en hoe droger het klimaat.
Voorbeeld: Het binnenland van Azië (bv. de Gobi-woestijn) is extreem droog, terwijl kustregio's op dezelfde breedtegraad veel meer neerslag ontvangen.
Factor 3: Gebergten
Wanneer vochtige lucht een bergketen oversteekt, stijgt ze op aan de luv-zijde (de kant waar de wind vandaan komt):
- Lucht stijgt → koelt af → condensatie → veel regen op de luv-zijde
- Lucht daalt aan de lee-zijde → warmt op → droog → regenschaduw
Voorbeeld: In Noorwegen valt aan de westkant van de bergen (luv, richting Atlantische Oceaan) tot 3.000 mm regen per jaar, terwijl de oostkant (lee) veel droger is.
Factor 4: ITCZ (Intertropische Convergentiezone)
De ITCZ is het laagdrukgebied langs de evenaar waar de passaatwinden samenkomen en lucht opstijgt. Omdat de ITCZ verschuift met de loodrechte zonnestand, verschuift ook het regenseizoen:
- Juni → ITCZ richting kreeftskeerkring → regenseizoen op het noordelijk halfrond
- December → ITCZ richting steenbokskeerkring → regenseizoen op het zuidelijk halfrond
Voorbeeld: In West-Afrika is er een droog seizoen en een nat seizoen, afhankelijk van wanneer de ITCZ die regio passeert.
5. Het weer in West-Europa
5.1 Satellietbeelden
IR-satellietbeelden (infrarood):
- Meten de temperatuur van wolken en aardoppervlak via infraroodstraling
- Werken ook 's nachts (geen zichtbaar licht nodig)
- Koude wolktoppen (hoog in de atmosfeer) verschijnen licht; warme oppervlakken donker
VIS-satellietbeelden (zichtbaar licht):
- Werken via gereflecteerd zonlicht
- Alleen bruikbaar overdag
- Geven een foto-achtig beeld van wolkenpatronen
Voorbeeld: Meteorologen combineren beide soorten beelden om zowel overdag als 's nachts het weer te volgen.
5.2 Weerkaarten lezen
Isobaren = lijnen die plaatsen met dezelfde luchtdruk verbinden (uitgedrukt in hPa). Ze zijn vergelijkbaar met hoogtelynen op een topografische kaart.
- Isobaren dicht bij elkaar → groot drukverschil op korte afstand → sterke wind
- Isobaren ver van elkaar → klein drukverschil → zwakke wind
- Gemiddelde luchtdruk op aarde: 1013 hPa
Coriolis-effect op weerkaarten:
Winden waaien niet recht van H naar L, maar buigen af:
- Rond een H (noordelijk halfrond): met de klok mee (rechtsom)
- Rond een L (noordelijk halfrond): tegen de klok in (linksom)
5.3 Luchtsoorten en hun invloed
Het weer in West-Europa wordt sterk bepaald door welke luchtsoort er aanwaait. Die wordt bepaald door de herkomst (waar de lucht vandaan komt) en de ondergrond (zee of land) die ze gepasseerd heeft.
| Luchtsoort | Herkomst | Kenmerken voor België |
|---|---|---|
| Maritiem tropisch | Subtropische Atlantische Oceaan | Warm, vochtig, kans op mist |
| Maritiem polair | Noordelijke Atlantische Oceaan | Koel, vochtig, buiig |
| Maritiem arctisch | Arctisch gebied via zee | Koud, instabiel, hagel |
| Continentaal polair | Oost-Europa / Rusland | Koud en droog (winter) |
| Continentaal tropisch | Noord-Afrika | Warm en droog (zomerhitte) |
5.4 Fronten
Een front is de grens tussen twee luchtsoorten met verschillende eigenschappen (temperatuur, vochtigheid). Fronten hangen samen met lagedrukgebieden (depressies).
Warmtefront 🔴
- Ontstaat wanneer warme lucht langzaam over koude lucht schuift
- Beweegt traag
- Neerslag: langdurig en licht (uren tot een dag)
- Bewolking: breed wolkendek dat geleidelijk lager wordt (van hoog naar laag)
- Temperatuur: stijgt nadat het front gepasseerd is
Voorbeeld: Een warmtefront kondigt zich aan met hoge sluierwolken (cirrus), gevolgd door steeds lagere wolken en lichte regen — typisch Belgisch druilerig weer.
Koufront 🔵
- Ontstaat wanneer zware koude lucht snel onder warme lucht duwt
- Beweegt snel (sneller dan een warmtefront)
- Neerslag: hevig en kortdurend (buien, onweer mogelijk)
- Bewolking: hoge stapelwolken (cumulonimbus)
- Temperatuur: daalt plots nadat het front gepasseerd is
Voorbeeld: Een koufront passeert vaak met een korte, hevige bui en daarna snel opklarend weer en een frisser gevoel.
Occlusiefront 🟣
- Ontstaat wanneer een koufront het warmtefront inhaalt (koufronten bewegen sneller)
- De warme sector wordt opgetild → afkoeling
- Neerslag: eerst licht (warmtefrontkarakter), daarna heviger (koudfrontkarakter)
- Bewolking: mix van beide fronttypen
- Temperatuur: wordt kouder
Voorbeeld: Occlusies zijn typisch voor de latere fase van een depressie die West-Europa passeert.
Warme sector
- De zone tussen het warmtefront en het koufront
- Relatief warm en droog
- Normaal gezien geen neerslag, maar wisselende bewolking
- Tijdelijke periode van zachtere temperaturen
5.5 De doortocht van een frontale depressie
Een volledige frontale depressie passeert in fasen:
- Warmtefront nadert: hoge wolken (cirrus), geleidelijk lagere wolken, lichte langdurige regen, temperatuur stijgt
- Warme sector passeert: tijdelijk droog en warm, wisselende bewolking
- Koufront passeert: hevige buien, onweer mogelijk, temperatuur daalt snel
- Na het koufront: opklaringen, koud, buiig, heldere lucht
5.6 Weerbeeld bij hoge en lage druk
- Hoge drukgebied (H): lucht daalt → warmt op → geen condensatie → zonnig en droog
- Lage drukgebied (L): lucht stijgt → koelt af → condensatie → bewolkt en regen
Woordenlijst
| Woord | Definitie | Voorbeeld in een zin |
|---|---|---|
| Atmosfeer | Dunne band gassen rondom de aarde, vastgehouden door zwaartekracht | De atmosfeer beschermt ons tegen schadelijke straling. |
| Dampkring | Ander woord voor atmosfeer | De dampkring bestaat voor 78% uit stikstof. |
| Sfeer | Laag in de atmosfeer waar de temperatuur consistent stijgt of daalt | De troposfeer is de sfeer waar het weer zich afspeelt. |
| Pauze | Overgangsgebied tussen twee sferen | De tropopauze bevindt zich op circa 10 km hoogte. |
| Ozonlaag | Laag in de stratosfeer (20–30 km) die UV-straling absorbeert | Dankzij de ozonlaag bereikt UV-C het aardoppervlak niet. |
| CFK's | Chloorfluorkoolstofverbindingen; stoffen die de ozonlaag aantasten | CFK's werden vroeger gebruikt in spuitbussen. |
| HFK's | Hydrofluorkoolstoffen; milieuvriendelijk alternatief voor CFK's | HFK's tasten de ozonlaag niet aan. |
| Zomersmog | Ozonvervuiling nabij het aardoppervlak bij warm zonnig weer | Bij zomersmog worden snelheidsbeperkingen ingevoerd. |
| Wintersmog | Vervuiling door fijn stof en roet onder een wolkendek in de winter | Wintersmog is gevaarlijk voor mensen met longproblemen. |
| Luchtdruk | Het gewicht van de lucht per oppervlakte-eenheid, gemeten in hPa | De gemiddelde luchtdruk op zeeniveau is 1013 hPa. |
| Barometer | Instrument om luchtdruk te meten | Een vallende barometer wijst op naderend slecht weer. |
| Isobaren | Lijnen op een weerkaart die plaatsen met gelijke druk verbinden | Dicht bij elkaar liggende isobaren wijzen op veel wind. |
| Coriolis-effect | Afbuiging van winden door de aardrotatie | Door het Coriolis-effect draaien orkanen tegen de klok in op het NH. |
| ITCZ | Intertropische Convergentiezone — laagdrukband langs de evenaar | De ITCZ verschuift mee met de loodrechte zonnestand. |
| Straalstroom | Snelle horizontale wind op ~10 km hoogte in de bovenste troposfeer | De straalstroom stuurt depressies van west naar oost over Europa. |
| Thermohaliene circulatie | Wereldwijd systeem van zeestromingen, aangedreven door temperatuur en zout | De thermohaliene circulatie wordt ook wel de oceaanband genoemd. |
| Golfstroom | Warme zeestroming van de Golf van Mexico naar Europa | Dankzij de Golfstroom is de winter in West-Europa mild. |
| Evaporatie | Verdamping van water van het aardoppervlak naar de atmosfeer | Evaporatie is het grootst boven warme oceanen. |
| Transpiratie | Verdamping van water via de bladeren van planten | Bossen dragen via transpiratie bij aan de luchtvochtigheid. |
| Evapotranspiratie | Som van evaporatie en transpiratie | Evapotranspiratie is een maatstaf voor het waterverbruik van een landschap. |
| Condensatie | Omzetting van waterdamp naar vloeibare waterdruppels | Condensatie op een koud glas is hetzelfde proces als wolkenvorming. |
| Infiltratie | Het doordringen van water in de bodem | Goede infiltratie vermindert de kans op overstromingen. |
| V_abs | Absolute luchtvochtigheid — werkelijke hoeveelheid waterdamp in g/m³ | Bij 20°C bevat de lucht een V_abs van 12 g/m³. |
| V_max | Maximale luchtvochtigheid bij een bepaalde temperatuur in g/m³ | V_max stijgt bij hogere temperaturen. |
| V_rel | Relatieve luchtvochtigheid in % | Als V_rel 100% bereikt, treedt condensatie op. |
| Warmtefront | Grens waar warme lucht over koude lucht schuift — traag, langdurige regen | Een warmtefront kondigt zich aan met hoge sluierwolken. |
| Koufront | Grens waar koude lucht onder warme lucht duwt — snel, hevige buien | Na een koufront klaart het snel op maar wordt het koud. |
| Occlusiefront | Front waarbij koufront het warmtefront inhaalt | Een occlusiefront markeert de eindfase van een depressie. |
| Warme sector | Zone tussen warm- en koufront — warm en tijdelijk droog | In de warme sector is er even rust voor het koufront. |
| Luv-zijde | De kant van een berg die de wind ontvangt — veel neerslag | De luv-zijde van de Alpen is de meest regenrijke kant. |
| Lee-zijde | De beschutte kant van een berg — weinig neerslag (regenschaduw) | De lee-zijde van de Rocky Mountains is erg droog. |
| Maritieme lucht | Lucht afkomstig van boven een oceaan — vochtig | Maritieme lucht brengt vaak bewolking en neerslag naar België. |
| Continentale lucht | Lucht afkomstig van boven land — droog | Continentale lucht in de winter is koud en droog. |
| IR-satellietbeelden | Satellietbeelden via infraroodstraling — ook 's nachts bruikbaar | IR-beelden tonen de temperatuur van wolktoppen. |
| VIS-satellietbeelden | Satellietbeelden via zichtbaar licht — enkel overdag | VIS-beelden geven een fotorealistisch beeld van bewolking. |